Verfijnd vermaak
Mozart voltooide zijn Pianotrio in Bes majeur, KV 502, in Wenen in november 1786. Waarschijnlijk zal het eerst hebben geklonken in een besloten adelijke kring. In die jaren was kamermuziek met piano populair bij zowel professionele musici als begaafde amateurs. Het genre kwam voort uit de “begeleide klaviersonate”: de piano stond centraal, terwijl viool en cello vooral ondersteunden. Mozart verandert die verhouding; de piano blijft belangrijk, maar viool en cello krijgen een duidelijker aandeel in het muzikale gesprek. In het openingsdeel (Allegro) klinkt een elegante uitwisseling tussen piano en strijkers de piano introduceert het thema, er klinken korte reacties van de strijkers die weer worden afgewisseld met virtuoze passages in de piano. In het tweede, langzame deel klinkt een prachtig subtiele wisselwerking tussen de piano en de viool, waarbij de cello met een warme tegenstem zich in het geheel mengt. De finale, een Allegretto in rondovorm, is lichtvoetig en geestig. Het terugkerende thema is sprankelend en speels. En telkens wanneer het terugkeert is het anders belicht, een nieuwe toonsoort, een verrassende wending of een onverwachte stilte. Ook in dit deel klinkt weer een virtuoze uitwisseling tussen de piano, cello en viool.
Mozaïek
In Ackermusik laat Theo Loevendie het vertrouwde pianotrio klinken alsof het even van continent is veranderd. Piano, viool en cello bewegen niet door een klassieke verhaallijn zoals we in Europese klassieke muziek gewend zijn, maar door een mozaïek: vijf herkenbare elementen keren telkens terug, steeds anders belicht, met de toon D als draaipunt, als een soort grondtoon. We horen geen traditioneel begin-midden-einde, maar een reeks verschuivende muzikale ‘panelen’, waarin ritme en kleur de richting bepalen. Loevendie heeft een grote voorliefde voor jazz en niet-westerse muziekinstrumenten, vandaaruit speelt hij steeds met een rijke wereld aan klankassociaties. De drie instrumenten spelen daarbij niet een vaste rol van melodie, begeleiding en bas, maar bij wijze van spreken als beweeglijke partners die elkaar aanstoten, imiteren en tegenspreken.
Theo Loevendie schreef Ackermusik in 1997, het werk dankt zijn titel aan de opdrachtgevers van de Hitzacker Musiktage in dat jaar.
Een tweeluik
D’un soir triste behoort tot de laatste werken van Lili Boulanger, geschreven in 1917-1918, kort voor haar vroege dood, nog maar 24 jaar oud. De titel betekent letterlijk “van een droevige avond”, maar de muziek is meer dan een eenvoudige elegie. Boulanger schept een donkere, gespannen atmosfeer waarin rouw, onrust en innerlijke kracht voortdurend door elkaar lopen. Het werk bestaat in verschillende versies, onder meer voor pianotrio en voor orkest. In de trioversie krijgen viool, cello en piano elk een duidelijke dramatische rol. De piano laat vaak een zwaar, harmonisch fundament horen, terwijl de strijkers lange, zoekende lijnen trekken. De muziek beweegt langzaam maar onverbiddelijk vooruit; stilte en uitbarsting liggen steeds dicht bij elkaar. D’un matin de printemps wordt vaak genoemd naast D’un soir triste. Beide werken zijn verwant in materiaal, maar hebben een ander verloop: D’un soir triste is traag en zwaar van toon, terwijl D’un matin de printemps beweegt, schakelt en vooruit wil. De titel betekent “van een lentemorgen”, maar de frisheid van deze muziek is niet naïef. Boulanger schrijft met een nerveuze ondertoon: beweeglijk en vol plotselinge veranderingen. Het stuk bestaat in verschillende versies, waaronder viool en piano, fluit en piano, pianotrio en orkest. In de trioversie ontstaat een mooi transparant spel tussen de drie instrumenten. De piano jaagt de muziek voort met sprankelende figuren en ritmische impulsen, terwijl viool en cello korte gebaren, zangerige lijnen en felle accenten toevoegen. Alles lijkt continu in beweging. Haar beroemde zus, Nadia Boulanger, de compositiepedagoge, speelde een belangrijke rol in het bewaren en doorgeven van Lili’s nalatenschap.