In dit concert komt kamermuziek tot klinken uit de negentiende en twintigste eeuw uit Duitsland, Spanje en Frankrijk. Om te beginnen Johannes Brahms die zich zijn hele leven wijdde aan kamermuziek. Van het Pianotrio opus 8 uit 1854, het jaar dat zijn vriend Robert Schumann bij Düsseldorf in de Rijn sprong, tot de Twee klarinetsonates opus 120 uit 1895, geschreven twee jaar voor zijn dood. Brahms componeerde zijn kamermuziek met schijnbaar gemak, zonder de worstelingen met zijn orkestmuziek, zoals bij zijn Eerste symfonie en Eerste pianoconcert. Net als Felix Mendelssohn schreef Brahms twee cellosonates en met een tussenpose van twintig jaar, in 1865 en 1886. Vanwege een overvolle concertagenda zocht Brahms in de zomermaanden de rust op in het Zwitserse natuurschoon. Zo verbleef hij in de zomer van 1886 in het dorpje Hofstetten, in de buurt van Thun. Daar borrelde de Vioolsonate opus 100 in hem op, het Pianotrio opus 101 en de hier gespeelde Tweede cellosonate opus 99.
De Tweede cellosonate is een hartstochtelijk werk dat wisselt tussen drama en uitgelatenheid. De sonate komt zonder omwegen ter zake. In het heldhaftige eerste deel wordt de cello bijna overweldigd door de turbulente en bijna orkestrale pianopartij. Het prachtige Adagio affettuoso opent met plechtig getokkelde cellotonen en maakt een ruime omzwerving. Zijn die hoog gespannen cellolijnen misschien van een kleinzoon van Beethoven? Een duistere avondsfeer heerst er in het spookachtige Scherzo. De beklemmende chromatiek doet denken aan de Finale van de Derde symfonie. Het laatste deel lijkt een uitbarsting van wilde volksmuziek van het platteland zoals alleen Brahms die in zijn partituren wist te storten.
De elegieën van Franz Liszt
Hierna een van de belangrijkste en meest fascinerende late werken van Franz Liszt, La lugubre gondola, een schildering van een begrafenisgondel in de kanalen van Venetië. Liszt schreef de oorspronkelijke pianoversie omstreeks de tijd dat hij bij Wagner te gast was in Palazzo Vendramin aan de Canal Grande in Venetië eind 1882. Had Liszt al een voorgevoel had van Wagners overlijden kort daarna, op 13 februari 1883. De lange begrafenisoptocht naar Bayreuth begon met de droeve gondeltocht naar het treinstation Santa Lucia in Venetië.
Die Zelle in Nonnenwerth kwam aanvankelijk op papier als een treurige klaagzang van een zanger die zich in het klooster van Nonnenwerth van de wereld afzondert en hier zijn verlatenheid beklaagt. Die zanger was misschien wel Liszt zelf, die zich aangetrokken voelde tot het kloosterleven, en met zijn vroegere gezin enkele zomers doorbracht op het eiland Nonnenwerth. Niet vreemd dat hij in veertig jaar tijd zoveel versies schreef, waaronder een voor viool of cello en piano.
Spaanse liederen zonder woorden
Zoals veel van zijn generatiegenoten koesterde de Spaanse componist Manuel de Falla een grote belangstelling voor het muzikale erfgoed van zijn land, zoals Béla Bartók en Zoltán Kodály voor dat van Hongarije en Edvard Grieg voor dat van Noorwegen. Speciale interesse had De Falla voor de flamenco uit zijn geboortestreek Andalusië en meer specifiek de canto jondo. Echo’s daarvan klinken in vrijwel zijn hele oeuvre door. Van 1907 tot 1914 verbleef Falla in Parijs, waar hij contact had met Maurice Ravel, Claude Debussy en Paul Dukas. Kort voor de naderende Eerste Wereldoorlog Falla dwong naar Madrid terug te keren schreef hij in Parijs de liederencyclus ‘Siete canciones populares españolas’ (Zeven Spaanse volksliederen), gebaseerd op authentieke Spaanse volksliederen, door hem licht getoucheerd en van een pianobegeleiding voorzien. Naderhand werkte hij zes van de zeven liederen om tot een versie voor viool en piano. Zo trekken zonder woorden voorbij een liedje over een Moorse doek (El paño moruno), een oosters getint wiegeliedje uit Andalusië (Nana), een bruisend lied waarin een bedrogen minnaar zijn wrok begraaft (Canción), een wild lied uit Andalusië met uitroepen over het wel en wee van de liefde (Polo), een klaaglied waarin een wilg mee treurt met een droeve geliefde (Asturiana) en ten slotte een vertelling over een geheime liefde uit de regio Aragon (Jota).
De zwanenzang van Debussy
De laatste levensjaren van Claude Debussy werden overschaduwd door de Eerste Wereldoorlog en extreem pijnlijke kanker, die hem uiteindelijk zou vellen in 1918. In 1915 begon hij aan een project met zes sonates voor uiteenlopende bezettingen en opgedragen aan zijn tweede vrouw, Emma-Claude. Alleen de eerste drie sonates kreeg hij op papier, met als laatste de moeizaam tot stand gekomen Vioolsonate (1917). Ze is de zwanenzang van Debussy op het gebied van de kamermuziek. Debussy, destijds al doodziek en onder de morfine, schreef over het ontstaansproces: ‘Ik werk in het luchtledige, me uitputtend in kleine knutselpartijen, die me nog wanhopiger maken. Nooit heb ik me zo afgemat gevoeld door deze achtervolging van het onbereikbare.’ In mei 1917 voerde Debussy in de Salle Gaveau in Parijs zijn laatste werk nog zelf uit met violist Gaston Poulet: ‘Men heeft de Intermède willen herhalen, waartegen ik me met klem verzet heb, om de eenheid van de compositie te eerbiedigen; dus hebben we de hele sonate nog een keer moeten spelen.’ Na deze sonate voltooide Debussy nog slechts één werk, de transcriptie voor cello en piano van de sonates voor viola da gamba en klavecimbel van Johann Sebastian Bach. Met dat eerbetoon aan Bach is Claude Debussy, musicien français, de eeuwigheid ingegaan.