De cello op de voorgrond
Met het Strijkkwartet in D-groot, KV 575, schreef Mozart in juni 1789 het eerste in de reeks van drie zogeheten Pruisische kwartetten. De aanleiding was een bezoek aan het hof van koning Friedrich Wilhelm II van Pruisen in Berlijn, eerder dat voorjaar. De vorst was een fervent amateurcellist en Mozart vatte het plan op om voor hem een serie van zes kwartetten te schrijven waarin de cello een prominente rol zou krijgen. Uiteindelijk voltooide hij er slechts drie (KV 575, 589 en 590), voor zijn dood in 1791. In het kwartet horen we de cello regelmatig in een zangerige, bijna solistische rol. In het eerste deel zet de cello het 2e thema in. In het lyrische 2e deel horen we de cello als een tegenspeler, als ‘gesprekspartner’, van de eerste viool. Midden in het 3e deel, met het Trio, laat de cello zich horen met een warme zingende melodie. Tot slot opent de cello in het levendige vierde deel met het rondothema, waarna Mozart het thema door alle stemmen heen laat circuleren. Dit kwartet pronkt niet met grote virtuoze gebaren, hier gaat het om nuance en onderlinge verstandhouding van de spelers.
Document van een persoonlijk verlies
De vrouw van Sjostakovitsj, Nina Vazar, overleed plotseling, in 1954. Zes jaar later schreef Dmitri zijn 7e strijkkwartet in nagedachtenis aan haar. Het kwartet laat zich horen als een intieme meditatie over verlies, herinnering en een tijd die ondertussen gewoon doorgaat. Er zijn weliswaar drie delen, maar ze worden zonder onderbreking gespeeld. Het eerste deel (Allegretto) opent niet met een zware zucht maar met een bedrieglijk, droog ritme; een onrustig ritme dat tikt als een klok, met een motief dat door alle drie de delen heen loopt. Heel anders klinkt het middendeel (Lento), ijl en subtiel, als een dromerige reflectie. De stemmen bewegen langzaam en sober, de tijd lijkt stil te vallen. Met de donkere begeleiding van de altviool en cello speelt de 1e viool speelt een hoge ijle melodie, intiem en kwetsbaar.
En dan barst plotseling het derde deel los met onrustige grillige muziek; we zouden het kunnen horen als een storm, als een woedeuitbarsting. Gaandeweg lijkt het rustiger te worden, maar de muziek eindigt toch in een wat gespannen, onopgeloste stilte. Al met al een klinkt een kwartet als een persoonlijke elegie, kort en geconcentreerd.
De fossegrim
Een Noorse legende vertelt over de fossegrim: een watergeest die iemand kan leren om uitzonderlijk mooi viool te spelen. Maar dat heeft een prijs. De speler verliest uiteindelijk zijn geliefde en persoonlijke geluk. Henrik Ibsen schreef hierover een gedicht, Grieg schreef in 1876 een lied op dit gedicht: Spillemænd, vervolgens baseerde de componist het hoofdthema in zijn strijkkwartet op dit lied. Het eerste deel begint ermee, maar motieven uit dit lied laten zich ook horen in de middendelen. En in het vierde deel keert het thema ook weer duidelijk terug, daarbij geïnspireerd door de Noorse volksdans, de springar. Grieg verwerkt ritmische energie die aan Noorse volksmuziek doet denken, zonder eenvoudigweg volksmelodieën te citeren. Citaat uit het gedicht: “Ik riep de geest uit het diepe water, en leerde de snaar zo machtig slaan, dat de golven verstomden, en later, de rotsen aan het dansen zijn gegaan.” Zo’n frase laat zich horen in de onrust en dramatiek van het kwartet. Lyrische passages worden steeds opnieuw onderbroken door intense uitbarstingen. Griegs harmonieën zijn rijk en soms onverwacht, met scherpe contrasten tussen donkerte en licht. Grieg was gefascineerd door de duistere, mystieke sfeer van het gedicht, wellicht heeft hij met dit werk een verklanking willen schrijven van ‘de prijs van het kunstenaarschap’.