Mooi en droevig maanlicht
De muziek van Claude Debussy wordt nogal eens muzikaal impressionisme genoemd, vergelijkend met de impressionistische schilderkunst. Debussy legde in zijn muziek minder nadruk op vaste vormen en duidelijke contouren maar meer op kleur, sfeer en suggestie. Debussy: “Het liefst zou ik een muziek zien ontstaan die vrij is van thema’s en motieven, een muziek die door niets wordt onderbroken en nooit op zichzelf terugkomt.”
In 1890 begon Debussy aan de Suite bergamasque voor piano, bestaande uit vier delen: Prélude, Menuet, Clair de lune en Passepied. Het beroemde derde deel, Clair de lune, werd later georkestreerd door André Caplet, een componist met wie Debussy vaker samenwerkte. De titel verwijst naar een gedicht van Paul Verlaine dat Debussy inspireerde. De naam bergamasque verwijst naar fraaie dansende maskerfiguren uit de Italiaanse theatertraditie, een beeld dat Verlaine in zijn gedicht verwerkte.
Clair de lune roept een dromerige, mysterieuze sfeer op. Debussy vermijdt duidelijke ritmes, traditionele harmonische regels en uitgesproken climaxen. De tonaliteit blijft onduidelijk, waardoor we als luisteraar voortdurend in een zwevende klankwereld terechtkomen. Aan het einde toch een duidelijke cadens, een afronding, alsof Debussy in zijn muzikale schilderij nog een laatste penseelstreek zet.
Noorse ziel
Edwards Griegs pianoconcert (opus 16) is een van de bekendste concerten uit het repertoire, met het beroemde en spectaculaire begin: een korte paukenroffel, direct gevolgd door een klanksalvo van het orkest en dan de piano met een waterval van akkoorden. Als in een circus; een intro door de pauken, dan de ‘pianotijger’ die door de brandende hoepel springt. Toch gaat het in dit concert niet om uiterlijk vertoon. Het is een samengaan van lyrische diepgang en virtuoze uitdagingen. De piano speelt steeds in wisselwerking met het orkest, presenteert thema’s, maar reageert ook voortdurend op het orkest, vult aan, versiert en verdiept. Het klinkt soms improviserend, met hier en daar een Noorse couleur locale door motieven die verwant zijn met volksmelodieën. Een recensent schreef bij de première in 1869: “heel Noorwegen in zijn oneindige verscheidenheid en eenheid.” Het tweede deel vormt het rustpunt van het werk. De strijkers laten een langgerekt thema klinken: een serene, eenvoudige melodie vol gelukzalige rust, waarna de piano binnenkomt met intiem en prachtig zangerig spel.
In de finale verandert de sfeer opnieuw: het ritme is ontleend aan de Noorse halling, een energieke volksdans. Soms lijken solist en orkest zelfs tegen elkaar in te bewegen, waardoor de muziek extra vaart krijgt. Maar Grieg onderbreekt die onstuimigheid ook weer met een rustig, bijna dromerig moment, voordat het concerto uitmondt in een breed en glanzend slot.
Jeugdige frisheid
George Bizet is het meest bekend door zijn opera Carmen. Maar zijn eerste symfonie schreef hij al 20 jaar eerder, als jongen van 17 jaar, in 1855. Al vanaf zijn 10e jaar ging hij naar het conservatorium in Parijs. Charles Gounod gaf Bizet de opdracht voor deze symfonie als studieproject. Het was helemaal niet de bedoeling van Bizet om het werk te publiceren. Pas in 1933 werd zijn symfonie herontdekt en werd vanaf dat moment op concertpodia tot klinken gebracht.
De invloed van zijn leermeester Charles Gounod is hoorbaar, maar wat je als luisteraar vooral merkt, is de enorme frisheid van het stuk. Dit is geen zware, plechtige symfonie. Bizet schrijft voor een relatief licht orkest en gebruikt dat orkest op een heldere manier: veel vaart in de strijkers, veel kleur in de houtblazers en koper dat de vorm markeert. De opzet van Deel I is goed te volgen: een 1e thema, licht en dansend, en een lyrisch tweede thema, prachtig gespeeld door de hobo. Vervolgens een gedeelte waarin deze twee thema’s vrolijk worden gevarieerd en bewerkt. Het deel wordt afgesloten door een nagenoeg letterlijke herhaling van het begin gedeelte, de reprise. De hobo heeft een hoofdrol in Deel II met een melancholische melodie. De strijkers, met hun pizzicatobegeleiding, zorgen voor een luchtig voorbewegen van de muziek. Het 3e deel heeft, zoals toen gebruikelijk, een dansachtig karakter. En dan barst het 4e deel los met snel spelende, bijna jagende strijkers in een nagenoeg onafgebroken beweging. De blazers spelen korte signalen en accenten, waarmee een heldere, sprankelende orkestklank ontstaat. Dat is misschien wel het boeiendste aan deze symfonie: de combinatie van jeugdige energie en grote helderheid.